logo advocatenkantoor Kuijken
Neem vrijblijvend contact op:
Bel ons: 040 20 40 500
Mail ons: info@kuijkenadvocaten.nl
Beëindiging kredietovereenkomst door bank op grond van algemene bepalingen van kredietverlening (ABK): niet altijd rechtsgeldig

In de praktijk van alledag wordt tussen banken en hun cliënten gewerkt met kredietovereenkomsten in verband met rekening-courantleningen en al dan niet daaraan verbonden andere kredietarrangementen (lang-, of kortlopende leningen met bijbehorende zekerheden die in de praktijk omvangrijk kunnen zijn, afgezet tegen het door de bank versterkte krediet). Eerder was er al de uitspraak van het Hof Arnhem, 18-2-2003. Het bleef wachten op een arrest van de Hoge Raad. Dat is er nu.

Wat was het geval? Tussen ING Bank en De Keijzer c.s. is een kredietfaciliteit overeengekomen bestaande uit een rekening-courantkrediet voor onbepaalde tijd en een tweetal rentevaste leningen. Op de overeenkomst zijn van toepassing verklaard de Algemene Bepalingen van Kredietverlening (ABK) en de Algemene Bank Voorwaarden (ABV). Volgens art. 11.1 ABK eindigt de kredietfaciliteit automatisch en zijn alle uit hoofde van de kredietovereenkomst verschuldigde bedragen terstond opeisbaar indien de kredietnemer zijn verplichtingen uit de kredietovereenkomst niet nakomt. In dat geval is de kredietnemer krachtens art. 25.2 ABK gehouden de contante waarde van het renteverschil te voldoen dat de bank over de resterende rentevaste periode als gevolg van de vervroegde aflossing derft. ING Bank heeft de kredieten opgezegd omdat De Keijzer c.s. een aantal verplichtingen uit de kredietovereenkomst niet zijn nagekomen. ING Bank maakt aanspraak op een vergoeding van € 122.125,69 wegens het vervroegd aflossen van de rentevaste leningen als bedoeld in art. 25.2 ABK.

In deze procedure vorderen De Keijzer c.s. verklaringen voor recht (a) dat ING Bank ten onrechte de kredietrelatie met hen heeft opgezegd en (b) dat ING Bank ten onrechte aanspraak maakt op de vergoeding wegens vervroegde aflossing. Anders dan de Rechtbank heeft het Hof de vorderingen toegewezen, overwegende dat de beëindiging van de rentevaste leningen met het gevolg dat De Keijzer c.s. een boeterente verschuldigd worden, in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Tegen dat oordeel keert zich het cassatiemiddel.

Indien een kredietverlener gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst, moet de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld worden aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW. Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de kredietverlener op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de kredietverlener op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het Hof, zo constateert de Hoge Raad, heeft deze maatstaf niet miskend. Het heeft die maatstaf immers vooropgesteld en vervolgens, op grond van de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, geoordeeld dat de beëindiging door ING Bank van de rentevaste leningen (op de voet van art. 11.1 ABK), met het gevolg dat De Keijzer c.s. een bedrag van € 122.125,69 aan boeterente verschuldigd werden (zoals bepaald in de art. 11.2 en 25.2 ABK), naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Het Hof heeft voornoemde maatstaf, aldus de Hoge Raad, evenmin miskend door de belangen van partijen af te wegen en gewicht toe te kennen aan de in art. 2 ABV neergelegde zorgplicht van de bank. Het Hof heeft dat immers gedaan in het kader van zijn beantwoording van de vraag of gebruikmaking door ING Bank van de overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat verband achtte het Hof terecht mede van belang dat art. 2 ABV voorschrijft dat de bank naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening zal houden. Het Hof heeft geoordeeld dat de bevoegdheid ingevolge art. 11.1 ABK tot beëindiging van de kredietovereenkomst in beginsel op de gehele kredietfaciliteit betrekking heeft, derhalve op beëindiging van zowel het krediet in rekening-courant als de rentevaste leningen. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre gebruikmaking van deze bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat onderscheid wordt gemaakt naar gelang het de beëindiging van het ene dan wel het andere onderdeel van de kredietovereenkomst betreft, mede in het licht van de uiteenlopende daaraan verbonden gevolgen en de overige omstandigheden van het geval.

Al met al lijkt er een verdiept inzicht te ontstaan in de vraag onder welke omstandigheden een bancair krediet door de bank in haar relatie met de cliënt kan en mag worden opgezegd. Bij de beoordeling van dit alles dient wel rekening gehouden te worden met het gegeven dat in het onderhavige geval uit de feiten naar voren kwam dat er aanzienlijke zekerheden in stand bleven voor de bank en dat het hier ging om het invorderen van een boeterente ten gevolge van een opzegging door de bank zelf. Deze feiten nuanceren en kleuren wel onderhavige casus, waardoor terughoudend gekeken moet worden naar de generieke waarde van onderhavig arrest. Wat niettemin blijft is dat de Hoge Raad toetsing aan artikel 6:248 BW geen onjuiste maatstaf acht, waarmee verder voortgebouwd wordt aan het arrest van het Hof Arnhem van 18 februari 2003.
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2014:2929

X
X

In de praktijk van alledag wordt tussen banken en hun cliënten gewerkt met kredietovereenkomsten in verband met rekening-courantleningen en al dan niet daaraan verbonden andere kredietarrangementen (lang-, of kortlopende leningen met bijbehorende zekerheden die in de praktijk omvangrijk kunnen zijn, afgezet tegen het door de bank versterkte krediet). Eerder was er al de uitspraak van het Hof Arnhem, 18-2-2003. Het bleef wachten op een arrest van de Hoge Raad. Dat is er nu.

Wat was het geval? Tussen ING Bank en De Keijzer c.s. is een kredietfaciliteit overeengekomen bestaande uit een rekening-courantkrediet voor onbepaalde tijd en een tweetal rentevaste leningen. Op de overeenkomst zijn van toepassing verklaard de Algemene Bepalingen van Kredietverlening (ABK) en de Algemene Bank Voorwaarden (ABV). Volgens art. 11.1 ABK eindigt de kredietfaciliteit automatisch en zijn alle uit hoofde van de kredietovereenkomst verschuldigde bedragen terstond opeisbaar indien de kredietnemer zijn verplichtingen uit de kredietovereenkomst niet nakomt. In dat geval is de kredietnemer krachtens art. 25.2 ABK gehouden de contante waarde van het renteverschil te voldoen dat de bank over de resterende rentevaste periode als gevolg van de vervroegde aflossing derft. ING Bank heeft de kredieten opgezegd omdat De Keijzer c.s. een aantal verplichtingen uit de kredietovereenkomst niet zijn nagekomen. ING Bank maakt aanspraak op een vergoeding van € 122.125,69 wegens het vervroegd aflossen van de rentevaste leningen als bedoeld in art. 25.2 ABK.

In deze procedure vorderen De Keijzer c.s. verklaringen voor recht (a) dat ING Bank ten onrechte de kredietrelatie met hen heeft opgezegd en (b) dat ING Bank ten onrechte aanspraak maakt op de vergoeding wegens vervroegde aflossing. Anders dan de Rechtbank heeft het Hof de vorderingen toegewezen, overwegende dat de beëindiging van de rentevaste leningen met het gevolg dat De Keijzer c.s. een boeterente verschuldigd worden, in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Tegen dat oordeel keert zich het cassatiemiddel.

Indien een kredietverlener gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst, moet de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld worden aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW. Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de kredietverlener op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de kredietverlener op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het Hof, zo constateert de Hoge Raad, heeft deze maatstaf niet miskend. Het heeft die maatstaf immers vooropgesteld en vervolgens, op grond van de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, geoordeeld dat de beëindiging door ING Bank van de rentevaste leningen (op de voet van art. 11.1 ABK), met het gevolg dat De Keijzer c.s. een bedrag van € 122.125,69 aan boeterente verschuldigd werden (zoals bepaald in de art. 11.2 en 25.2 ABK), naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Het Hof heeft voornoemde maatstaf, aldus de Hoge Raad, evenmin miskend door de belangen van partijen af te wegen en gewicht toe te kennen aan de in art. 2 ABV neergelegde zorgplicht van de bank. Het Hof heeft dat immers gedaan in het kader van zijn beantwoording van de vraag of gebruikmaking door ING Bank van de overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat verband achtte het Hof terecht mede van belang dat art. 2 ABV voorschrijft dat de bank naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening zal houden. Het Hof heeft geoordeeld dat de bevoegdheid ingevolge art. 11.1 ABK tot beëindiging van de kredietovereenkomst in beginsel op de gehele kredietfaciliteit betrekking heeft, derhalve op beëindiging van zowel het krediet in rekening-courant als de rentevaste leningen. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre gebruikmaking van deze bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat onderscheid wordt gemaakt naar gelang het de beëindiging van het ene dan wel het andere onderdeel van de kredietovereenkomst betreft, mede in het licht van de uiteenlopende daaraan verbonden gevolgen en de overige omstandigheden van het geval.

Al met al lijkt er een verdiept inzicht te ontstaan in de vraag onder welke omstandigheden een bancair krediet door de bank in haar relatie met de cliënt kan en mag worden opgezegd. Bij de beoordeling van dit alles dient wel rekening gehouden te worden met het gegeven dat in het onderhavige geval uit de feiten naar voren kwam dat er aanzienlijke zekerheden in stand bleven voor de bank en dat het hier ging om het invorderen van een boeterente ten gevolge van een opzegging door de bank zelf. Deze feiten nuanceren en kleuren wel onderhavige casus, waardoor terughoudend gekeken moet worden naar de generieke waarde van onderhavig arrest. Wat niettemin blijft is dat de Hoge Raad toetsing aan artikel 6:248 BW geen onjuiste maatstaf acht, waarmee verder voortgebouwd wordt aan het arrest van het Hof Arnhem van 18 februari 2003.
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2014:2929

Vrijblijvend telefonisch advies

Voor informatie over deze nieuwsbrief en voor alle juridische vragen kunt u gratis en vrijblijvend bellen elke dag van 15.00 tot 16.00 uur op telefoonnummer 040-2044445 of uw vragen stellen via het contactformulier.