logo advocatenkantoor Kuijken
Neem vrijblijvend contact op:
Bel ons: 040 20 40 500
Mail ons: info@kuijkenadvocaten.nl
Psychische schade werknemer

Werkgever heeft werknemer ten onrechte teruggezet in functie en later ten onrechte op staande voet ontslagen. Daarnaast heeft werkgever haar re-integratieverplichtingen veronachtzaamd. Is werkgever op grond van artikel 7:611 BW aansprakelijk voor schade als gevolg van psychische klachten die bij werknemer zijn ontstaan na de degradatie?

 

Werknemer is in april 1998 bij Werkgever in loondienst getreden en is laatstelijk werkzaam geweest als chef tegen een maandloon van € 2.750,00 bruto, exclusief vakantiebijslag.

In 2008 heeft bij Werkgever een grootschalige diefstal plaatsgevonden. Werknemer is in verband daarmee per 21 april 2008 intern overgeplaatst en vanaf dat moment ingezet bij het schoonmaken van inkomende goederen. Werkgever heeft Werknemer niet beschuldigd van de diefstal, maar hem verweten (vrij vertaald) dat de goederen onder zijn toezicht zijn verdwenen. Werknemer heeft zich vervolgens ziek gemeld. Werkgever heeft daarop de ziekteverzuimbegeleiding gestart. Nadien is 21 april 2008 aangemerkt als de eerste ziektedag. In het kader van de ziekteverzuimbegeleiding heeft de bedrijfsarts kort daarna bij Werknemer psychische klachten vastgesteld, waarvan Werkgever schriftelijk op de hoogte is gebracht met de opmerking dat met psychotherapie gestart zou worden.

Op dinsdag 27 mei 2008 heeft Werkgever Werknemer op staande voet ontslagen, omdat de directeur van Werkgever in een telefoongesprek door Werknemer is bedreigd, althans zich bedreigd gevoeld heeft. De rechtbank heeft bij vonnis van 15 juli 2009 geoordeeld dat het gegeven ontslag geen stand kon houden en Werkgever veroordeeld tot doorbetaling van het loon. In zijn arrest van 30 november 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam dit vonnis bekrachtigd. De gestelde bedreiging is in die procedure niet vast komen te staan. Rechtbank en hof hebben daarnaast onder meer overwogen dat Werkgever zich in het kader van de re-integratie niet als goed werkgeefster heeft gedragen.

Met ingang van 19 april 2010 is aan Werknemer een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Hij is 100% arbeidsongeschikt verklaard.

Na het veroordelend vonnis van de rechtbank van 15 juli 2009 heeft Werkgever het (achterstallig) loon betaald en de verzuimbegeleiding hervat. De loondoorbetaling is na 104 weken gestopt. Het UWV heeft geen verlengde loondoorbetalingsverplichting opgelegd. De arbeidsovereenkomst duurt nog voort.

Werknemer vordert onder meer een verklaring voor recht dat Werkgever aansprakelijk is voor alle schade die voortvloeit en nog zal voortvloeien uit de op non-actiefstelling, het onterecht gegeven ontslag en de onvoldoende re-integratie-inspanningen van Werkgever alsmede veroordeling van Werkgever om € 45.654,85 ter zake van inkomstenderving en € 138.610,20 ter zake van toekomstige inkomstenderving te betalen, alsmede € 8.000,00 ter zake van immateriële schade.

Ter onderbouwing voert Werknemer aan dat de degradatie en het onterecht gegeven ontslag op staande voet alsmede het daaropvolgende gebrek aan re-integratie-inspanningen de oorzaak zijn van het ontstaan en het voortbestaan van de psychische klachten. Werknemer grondt de aansprakelijkheid op de arbeidsovereenkomst dan wel een onrechtmatige daad van Werkgever.

De kantonrechter gaat ervan uit dat Werknemer heeft beoogd de vordering in te stellen op grond van artikel 7:611 BW. De kantonrechter overweegt dat daar waar het  de beoordeling van personeelsbeslissingen betreft, zoals in dit geval de opdracht aan Werknemer om schoonmaakwerkzaamheden te gaan verrichten en het nadien gegeven ontslag op staande voet, goed werkgeverschap met zich meebrengt dat een werkgever ter voorkoming van psychisch letsel bij zijn werknemers in beginsel dient te zorgen voor een beslissing die naar inhoud en wijze van totstandkoming zorgvuldig is. De kantonrechter komt vervolgens tot de conclusie dat de genomen personeelsbeslissingen, te weten degradatie en het ontslag op staande voet, noch naar inhoud noch naar de wijze van totstandkoming als zorgvuldig kunnen worden beschouwd. De kantonrechter sluit zich voorts aan bij het oordeel van rechtbank en hof dat Werkgever in de periode na de ziekmelding tekort is geschoten in de naleving van haar re-integratieverplichtingen. De elkaar opvolgende onzorgvuldige gedragingen van Werkgever rechtvaardigen schadevergoeding vanwege schending van artikel 7:611 BW, aldus de kantonrechter. Werknemer miskent echter volgens de kantonrechter dat slechts voor vergoeding in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van Werkgever berust, dat de schade Werkgever, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van de verweten gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). Alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat de materiële schade becijferd over een periode van vier jaar aan het handelen van Werkgever moet worden toegerekend. Daarnaast kan een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade worden toegewezen. Partijen dienen zich nader uit te laten over de berekening van de materiële schade. De zaak wordt naar de rol verwezen.

 

(Rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, locatie Utrecht, 21 januari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:552)

Vrijblijvend telefonisch advies

Voor informatie over deze nieuwsbrief en voor alle juridische vragen kunt u gratis en vrijblijvend bellen elke dag van 15.00 tot 16.00 uur op telefoonnummer 040-2044445 of uw vragen stellen via het contactformulier.